De slavernij herbeleefd

Dit is een essay over mensen. In deze wereld vol verscheidenheid zijn er sommige die zich minder voelen dan een ander en dat komt maar door een ding: de economie. Het gaat in de wereld om bezit, en wie het meeste heeft, heeft de meeste aanzien. We denken ook dat de rijken gelukkiger zijn dan de armen en dat is in sommige opzichten ook zo omdat we alles meten naar financiële waarde. En omdat met geld veel dingen kunnen worden opgelost. Maar het is maar schijn, want in de echte wereld draait alles om de relatie tussen mensen. Mensen die elkaar helpen, mensen die elkaar nodig hebben. Mensen die hun bezit delen met anderen en daar gelukkig van worden. Er is veel wantrouwen in de wereld, en alles draait om geldelijke waarde: word ik niet opgelicht, is het me dat wel waard, wat krijg ik er voor terug? Ruilhandel was een systeem waarin de waarde nog werd gekoppeld aan gevoel. Zorg en aandacht werden vertaald in waarde, bezit maakte iemand rijk, of dat nou een koe was of een huis. Zo is armoede en rijkdom iets van alle tijden, maar het bepaalde niet of iemand gelukkig was. En dat is nog steeds niet zo. Het echte geluk zit in je relatie tot andere mensen en wat je doet met je situatie. Het geweten speelt een grote rol: ga je uit stelen of roei je met de riemen die je hebt? Blijf je bovenop je bezit zitten of deel je het uit? De ongelijkheid wordt gevoed door  het idee dat iedereen gelijke rechten heeft, ook op bezit. Terwijl iedereen alleen maar recht heeft op aandacht en respect. We kunnen de verschillen tussen arm en rijk uitbuiten om de relaties tussen mensen te verbeteren. Als we weer een vorm van ruilhandel toestaan: goederen of diensten in ruil voor wederdiensten. Deze waarden zijn op Curaçao ontstaan tijdens de slaventijd maar zijn sindsdien in onbruik geraakt. Afrikaanse principes kwamen samen met westerse principes. Omdat in Afrika de gemeenschap zo belangrijk was, konden slaven overleven. Er was een verbindende factor die alleen maar werd versterkt door de slavernij. Samen werd gekookt, samen werd gezorgd en er was vreugde. Net als niet alle arme mensen ongelukkig zijn, zo waren ook niet alle slaven ongelukkig. Over dit geluk gaat dit verhaal. Mooie momenten in zware tijden die de sterksten hebben laten overleven. Dit geldt tegelijkertijd ook voor de kolonisten, die een tijdlang van God en alleman verlaten waren en het alleen moesten redden. Er ontstond respect voor de slavengemeenschap en er bleef ontzag voor de kolonisten maar ook dankbaarheid voor alles wat ze deden om de slaven te laten overleven. Er was onderlinge hulp, ingegeven door geloof en vertrouwen. Maar uiteraard bleven de economische verhoudingen bestaan en leefden de slaven in armoede en ellende. Het menszijn had wel een gezicht gekregen en zo kon later op Curaçao een samenleving ontstaan waar respect een gedeelde waarde was. Die vertaling nodig heeft naar de huidige economische verhoudingen.

Het begon allemaal zo. Toen de schepen in Afrika aankwamen, was er verbazing. Over zoveel prachtigs en kunstigs, de schepen waren een kunstwerk in de ogen van de Afrikanen. Zij leefden in armoede door natuurlijk rampen. Er was droogte en honger, er waren teveel mensen. De Afrikanen geloofden dat de Europeanen goddelijke kracht hadden, want de zon schitterde in hun kleding en de meegebrachte goederen. Toen de Europeanen vroegen om mensen, zagen zij dat als een reddingspoging. Zij aanbaden de zon als hun God, als de bron van leven, en al het schitterende aan de Europeanen deed hen geloven dat dit voorstel een goddelijke poging was om hen te redden. Ze verkochten slaven en zeiden hen om vertrouwen te hebben in God, de zon. Ze waren bang voor de zee, maar de Europeanen verzekerden hen dat ze hen goed zouden vastbinden om niet overboord te slaan. Toen gingen ze in vertrouwen mee. Dat de omstandigheden zo slecht zouden zijn, konden zij niet weten, en dat had te maken met de visie van de Europeanen, die dachten dat het om een soort dieren ging. Als beesten werd men behandeld en het enige wat ze konden doen om te overleven, om een soort geluksgevoel te behouden, was seks hebben met elkaar. Voor de kust van Venezuela gebeurde er iets wonderlijks. Er zwommen dolfijnen, en die voelden de aanwezigheid van de Afrikanen. Het sperma van de Afrikanen spiegelde zich aan de dolfijnen en zij werden een. De Afrikanen die werden geboren op Curacao kregen de intelligentie van dolfijnen, evenals hun vrolijkheid en sociale instelling.

Toen de Afrikanen uit de boot kwamen, keken zij naar de hemel en zagen de zon, even heet als in hun thuisland. En ze kregen vertrouwen, ze geloofden dat ze goed terecht waren gekomen. Ze werden behandeld als beesten, maar wisten zich staande te houden met het geloof in de zon. Ze richtten zich op de natuur en vonden daarin bevestiging. Ze bleven elkaar trouw en hadden een sterke sociale band, ook al werd er iemand tot opzichter aangesteld, een bomba.

De Nederlanders keken vol ontzag naar hun slaven want de oogst op Curacao was nooit goed. Er werd alleen genoeg geproduceerd voor eigen gebruik, en zo hield men elkaar in leven. Mannen kregen waardering voor hun vrouwelijk schoon en hadden seks met hen. Maar het was beestachtig, van liefde was meestal geen sprake. De kinderen kregen een bijzondere plek in de huishouding, mochten dichterbij de shon komen. En zo kon er meer oog ontstaan voor de menselijke kant van de slaaf. Zij ontwikkelden een eigen taal, die zich snel zou vermengen met het Nederlands, Engels en Portugees. Doordat slaven en meesters met elkaar omgingen, ontstonden er nieuwe woorden.

Op een dag was er geen eten meer voor de slaven. De vrouw wilde het eten bewaren voor haar kinderen en vroeg de slaven om bij haar te komen. Ze wees naar het nabij liggende huis van de buurman. Ze klopte zichzelf op de borst en zei: ben di shon. Ze stak haar hand uit en zei: na mi, wat betekent: geef mij. De slaven gingen naar het huis en vroegen: bendishonami, wat betekent zegen mij. En het geloof heeft hen zo gered.

In een andere tijd kwamen de slaven vermoeid van het werk terug. Een vrouw klaagde dat ze zo moe was, pijn had en het warm had. De bomba kwam naast haar lopen en had een bijzondere gave met de natuur. Hij kon met dieren praten, een Afrikaanse gewoonte. Hij zei geef een tikje op je neus en ik maak je weer vrolijk. Even later kwam er een bij op haar neus zitten die kriebelde. En ze lachte. Ai, Maharibomba. Wat betekent: ik moet lachen bomba. Daarom heet de bij op Curaçao een maribomba.

Er zijn grote verschillen die overbrugd moeten worden tussen de Afrikaanse en Europese cultuur. Maar dat is in het voordeel van allebei. Europeanen kunnen wat meer besef krijgen van de natuur en sociale contacten, de Afrikanen kunnen leren om voor zichzelf te zorgen en mee te doen in het handelsverkeer.

 

Advertenties